Een beetje vergeten dichter : J.J. Slauerhoff

 

Naar aanleiding van de poëziewedstrijd van de stad Bilzen voor de lagere scholen vind je hier wat informatie over een wat vergeten grote Nederlandse dichter : ( de oude spelling van het begin van de twintigste eeuw is behouden.)

 

 

                                             

 

Jan Jacob Slauerhoff

Arts, schrijver en dichter.
* Leeuwarden, 14 september 1898 - † Hilversum, 5 oktober 1936

Publiceerde steeds onder de naam J. Slauerhoff, maar postuum (= na zijn overlijden)

worden meestal varianten gebruikt, zoals J. J. Slauerhoff.

 

Een kenschetsend citaat:

 

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;


(uit: ‘Woninglooze’)

 

 

WONINGLOOZE

 

 

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens anders onderdak;

Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,

Een tent werd door den stormwind meegenomen.

 

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.

Zoolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

 

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

 

 

 

Een diep verlangen om de wijde wereld in te trekken, moet de dichter Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) al vroeg in zich hebben gevoeld. Zijn diepste wens was: naar zee te gaan. Maar zijn vader stond erop dat hij medicijnen zou gaan studeren. Toen hij daarna in Amsterdam deze studie volgde, was zijn kamer verfraaid met een opiumpijp en het houten model van een boot, terwijl hijzelf in een scheepskooi sliep.
Vrienden trakteerde hij op 'schipbreukwijn', die van een gestrand schip afkomstig zou zijn. Zijn medestudenten noemden hem: Slau.
Trouwens: hij vond een compromis tussen zijn toekomstverlangen en wat zijn ouders van hem verwachtten: hij werd scheepsarts.
Over dat zeemansbestaan zal hij dan heel veel, zowel romans, verhalen en gedichten (en zelfs een toneelstuk) schrijven.
Al jong was Slauerhoff begonnen poëzie te schrijven, waarin hij - mede onder invloed van bewonderde Franse dichters als Charles Baudelaire en Tristan Corbiere - zijn afkeer van de geordende maatschappij onder woorden bracht. Nadat hij in het tijdschrift 'Het Getij' een aantal verzen had gepubliceerd, verscheen in 1933 zijn eerste gedichtenbundel, 'Archipel'.

Enige maanden na de afsluiting van zijn artsenstudie greep Slauerhoff de eerste gelegenheid aan om naar zee te gaan. In 1934 vertrok hij als scheepsarts met het stoomschip 'Riouw' naar Nederlands Oost-Indië, maar onderweg werd hij ziek. Een jaar later was hij opnieuw in het Verre Oosten, waar hij in dienst trad van de Java-China-Japan Lijn.

Tijdens zijn zwerftochten in deze periode, waarbij hij vooral geboeid werd door het onmetelijke, geheimzinnige China, schreef hij aan boord honderden gedichten, die later verzameld werden in bundels als 'Eldorado’, ‘Saturnus' en ‘Serenade'. Evenals in zijn eerste bundel ‘Archipel' schreef Slauerhoff hierin over het lot van de gedoemde zwerver, die door zijn karakter eindeloos wordt voortgejaagd, maar die nergens zijn geluk kan vinden. Hetzelfde thema van het verlangen dat hij niet kan bereiken, komt voor in zijn verhalen, die gepubliceerd werden in ‘Het lente-eiland ‘en ‘Schuim En Asch'.

Nadat Slauerhoff ook enige tochten naar Zuid-Amerika had gemaakt, keerde hij naar Nederland terug, waar hij de danseres Darja Collin ontmoette, met wie hij enige maanden later trouwde. Direct daarna vertrok hij opnieuw naar Zuid-Amerika. In deze tijd schreef hij zijn roman 'Het Verboden Rijk’, waarin de zestiende-eeuwse Portugese zeevaarder en schrijver Luis Camoës één van de hoofdpersonen is.
In Slauerhoffs volgende roman, ‘Het Leven Op Aarde' probeert een Noord-Ierse marconist, die ook al was opgetreden in 'Het Verboden Rijk', de westerse beschaving te ontvluchten door volledige rust en vrede te zoeken in China.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eén van zijn bekendste gedichten is “ Voor de verre prinses.”

 

 

Voor de verre prinses

 

Wij komen nooit meer saam:

De wereld drong zich tussenbeide.

Soms staan wij beiden ’s nachts aan ’t raam,

Maar andre sterren zien we in andre tijden.

 

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:

Van licht tot verste duisternis—dat ik

Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,

U zou begroeten met mijn stervenssnik.

 

Maar als het waar is dat door grote dromen

Het zwaarst verlangen over wordt gebracht

Tot op de verste ster: dan zal ik komen,

Dan zal ik komen, iedre nacht.

 

 

Uit: ‘Serenade III’.


Terug